In het balkanbergland van Bulgarije 1906

Reisverhalen > In het Balkanbergland van Bulgarije

In het Balkanbergland van Bulgarije. Dit verhaal is eerder verschenen in “De Aarde en haar Volken, 1906. Naar het Fransch van L. DE LAUNAY. Source: Project Gutenberg EBook

I. Algemene beschrijving van het Balkanbergland.–De West-Balkan en de kloven van de Isker.–De Midden-Balkan en de zone der kalkformatie.–Dronovo en zijn houtsnijders.–Trevna.–Radevtsi en de mijnen.–Een schilderachtig steenkolenbekken.–Het groote Balkanwoud.–Kleurrijke dorpstooneelen.–De herberg Boroesjtitsa en het dorschen.–De zuidhelling van den Balkan.–Seltsi.–De ontwouding.–Door de bedding van den stroom.–De aankomst in het dal der rozen.

De Balkan, het oude Hemusgebergte, vormt in zekeren zin Bulgarije’s reden van bestaan, want meer dan in alle zoogenaamde Balkanstaten vindt men daar den eigenlijken Balkan. Dat groote gebergte, dat bijna in een rechte lijn, eigenlijk een zeer flauwe boog, loopt, is als ’t ware de middennerf van het land en scheidt twee vlakten van elkaar. Het is de ruggegraat, waaraan de spieren zijn bevestigd. Geologisch gesproken, is door bewegingen, die van den Balkan uitgingen, het geheele schiereiland ontstaan.

Men moet zich intusschen op grond van de min of meer woeste reputatie, die de Balkan in de geschiedenis heeft gekregen, geen Alpen, zelfs geen Pyreneeën voorstellen. Het Rhodope-gebergte, ook nog in Bulgarije, is vrijwat hooger in het land van Rila en Mies Alla, waar het toppen van 2900 meter heeft. Daarbij zijn de toppen er steiler, houden langer de sneeuw vast en maken met hun granieten steilten meer een alpinen indruk.

De Balkan reikt niet hooger dan 2400 meter, en de kam van het bergland, die voor het meerendeel uit gneiss bestaat, heeft een verweerd aanzien; de zachte hellingen zouden doen denken, dat het bergland ouder is dan in werkelijkheid het geval is. Op een afstand lijkt daardoor de Balkan, gezien uit de vlakte van Sofia, uit Philippopoli of in het noorden vanaf het plateau van Plewna of Tirnovo, op een zacht golvende zee. De schilderachtigheid lijdt er onder, ten minste naar den zin der alpinisten, die slechts van hooge hoogten en diepe laagten droomen; maar de Balkan heeft juist aan die geringe hoogte zijn prachtigen rijkdom aan eeuwenoude bosschen te danken, bosschen, die niet enkel uit dorre dennen bestaan met hun lijkkleurige tint, passend bij een land van sneeuw en nevel, maar waar forsche beuken staan met lichte stammen naast hooge eiken, waardoorheen het zonlicht spelen kan en lichtende plekken tooveren kan op het groen van het heestergewas aan hun voet en op de grijze voetpaden. Zooals bij zeer veel bergketenen het geval is, zijn ook bij den Balkan de hellingen zeer verschillend, want terwijl aan den noordkant het land langzaam in terrassen afdaalt, wordt de zuidelijke helling plotseling door diepe dalen afgebroken, waarlangs zich een reeks van warme bronnen vertoont.

Voor den geoloog is de Balkan de verheffing van den bodem, die opgeworpen is tegelijk met de Alpenketen tusschen twee vaste kernen, namelijk het plateau van de Donau en van Zuid-Rusland aan de eene, en het Rhodope aan de andere zijde. Zoo vormt de Balkan een voortzetting van de Alpen in Transsylvanië, beginnend bij Orsova aan de Donau met een richting noord-zuid en zich oost-westwaarts ten noorden van Sofia voortzettend, om daarna in noord-oostelijke richting gaande, bij kaap Emineh aan de Zwarte Zee te eindigen. In dat laatste gedeelte, voorbij Slivno, worden de verheffingen lager, er doen zich groote vlakten voor en de kamhoogte neemt langzamerhand af van 800 meter in het westen tot 400 in het oosten. De aardrijkskundigen rekenen gewoonlijk een beperkter terrein tot den Balkan, namelijk van af de Stara Planina tot ten oosten van de kloven der Isker. Op de kaarten onderscheidt men buitendien in de keten tusschen Vratsa en kaap Emineh een geheele reeks van plaatselijke Balkans, gewoonlijk genoemd naar de naburige stad, waaronder, van het westen naar het oosten gaande de belangrijkste zijn de Balkans van Berkowitza, van Vratsa, van Etropole van Zlatitsa, Veliki Slivno en noordwaarts die van Kodsja en Karnabad.

Ten noorden en ten zuiden bestaan er nog parallelle ketenen, zooals de Balkan van Derbend en in het zuiden die van Toendsja, de Sredna Gora of Karadsja-Dagh, die niet veel meer is dan een hooge heuvel. Ik kom straks uitvoerig op den centralen Balkan terug, waar ik mijn eerste exploratie in Bulgarije heb gedaan; maar eerst moet ik een denkbeeld geven van den West-Balkan, door dien te volgen langs de hoofdinsnijding, de kloven van de Isker, waar wij een geheel ander landschap krijgen te zien dan in den centralen Balkan van Radevtsi.

Van Sofia naar Plewna en Roestsjoek is de weg, dien wij zullen volgen, als het ware aangegeven door den eigenaardigen doorgang van de rivier de Isker door het bergland. Logisch schijnt het bekken van Sofia zijn natuurlijke afwatering te zullen hebben aan de zuidhelling van den Balkan en in de lengte langs Zlatitsa, Derbend en de Toendsja. Een rij van alluviale gebieden geeft op de kaarten der geologen dien schijnbaar normalen loop aan, waar tegenwoordig verschillende vrij hooge drempels in zijn, zooals te Derbend en te Kalofer, waar de Balkan zich aansluit bij den Sredna Gora en het Rhodope-gebergte. In plaats van zoo te stroomen, gaat de Isker dwars door den Balkan naar de kust, snijdt het bergland nog eens op een plek, waar het 1400 tot 1500 meter hoog is, en moet dus door zeer diepe dalen stroomen, waarna zij uitkomt op de Donau-vlakte ter hoogte van ongeveer tweehonderd meter.

Als men tegenover zulk een verschijnsel staat, dat niet zoo zeldzaam is in bergstreken, vindt men dikwijls dadelijk de verklaring in het feit, dat later in de buurt een groot hoofddal is gevormd, en dat daardoor de oorspronkelijke weg is veranderd en de rivier lager dan haar aanvankelijken loop is gebracht. Op die wijze staan de kloven van Tamina bij Ragatz in Grauwbunderland in verbinding met een oude bedding van den Rijn. De hoofdstroom, die een anderen loop had genomen, heeft verder op een lager niveau gestroomd, en de Tamina heeft zich, om die lagere bedding van den Rijn, dien zij bij Ragatz binnenvalt, te bereiken, langzamerhand al dieper kloven uitgeschuurd.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *