In het balkanbergland van Bulgarije 1906

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Hij was er verrukt van. Toen wij weer vertrokken waren, hervatten al die brave menschen hun werk van den geheelen dag, het rooken of alleen maar zitten soezen in de schaduw van het groen priëel en het luisteren naar vertellingen onder een kinderlijk gelach. Terwijl de Bulgaar van den morgen tot den avond werkt, zonder café of herberg op te zoeken, nemen zij het leven gemakkelijk op naar oosterschen trant, en alleen als het geld schaarsch wordt, gaan ze weer een paar hout- of steenkoolladingen wegbrengen, om daarna, voldaan dat ze eenige stuivers in den zak hebben, opnieuw met ambitie te gaan rusten. Zoo is langzamerhand alle grond hun ontgaan en in handen van de Christenen gekomen, wat niemand behoeft te verbazen. Tusschen Sara Yar en Bela gingen wij door een heuvelachtig land, vol groene boschjes, waar van tijd tot tijd een overtocht over een rivier een schilderachtige afwisseling opleverde en den tocht van onze karavaan vertraagde. Bela, waar we des avonds aankwamen, is een aardig landelijk dorp in den trant van Radevtsi, ofschoon op de zuidhelling, met een stroompje tusschen hooge oevers, begroeid met wilgen. Over het water ligt hier en daar een brugje, bestaande uit een enkelen balk met leuning, en boven het dorp verrijzen tertiaire bergen, waar de roode leembanden in horizontale lagen afwisselen met witte zandsteenvormingen. Ossen, die door het water gaan, en ganzen, vliegend over hen heen, ziedaar weer een schilderijtje. Er zijn er vele in dit dorp, waar mijn reisgezelschap weinig interessants vindt. De vrouwentypen zouden, als ik ze kon snappen, in mijn schetsjes passen, niet om haar schoonheid, groote Goden! ofschoon een gevoel van ongemotiveerde beschroomdheid ze bij mijn nadering doet wegvluchten, maar om haar leelijkheid juist, die werkelijk heel origineel is. Het schijnt dat hier, net als te Slivno, een rest woont van den een of anderen aziatischen stam, die nog sterk mongoolsch is, misschien vermengd met negerbloed. Ze maken den indruk van Kalmukken met sterk vooruitspringende jukbeenderen, zeer prominente onderlip en een daarbij passend kapsel, met op het voorhoofd een rij van lange ongekamde haren, die in donker door den een of anderen regimentskapper schijnen te zijn geknipt, terwijl van achteren vier of vijf kleine vlechtjes hangen, ten halve bedekt door een doekje en versierd met een onzinnig groote bloem, bij voorbeeld een pioen of een groote tros seringen.

De verloofden voegen daar nog een heelen toren bij van veêren en rozen en gekleurde linten met kettingen van op den rug afhangende munten en verder colliers van penningen, armbanden, ringen, een heelen galanteriewinkel, waardoor ze er echt als wilden uitzien. Maar ze zijn ook halfwild en in verrassende mate onbeschaafd. In dit dorp doen de vrouwen als in vele andere in deze streek nog aan allerlei industrieën en op zeer primitieve manier, zoodat het blijkt dat men er nog niets moet hebben van onze moderne machines. Overal ziet men kleine ovens, waarin elk gezin zelf zijn brood bakt, terwijl men voor eigen houtskool zorgt als brandstof en zelf zijn linnen spint en weeft. Van Bela reden wij naar Slivno met een omweg over de steenkolenontginningen van Katsjarka. Weer overal begroeide heuvels. Wij daalden langs een klein dal, dat te Slivno uitkwam, nu eens de bedding der rivier volgend, dan de hellingen beklimmend, om een bocht af te snijden. Men komt nog al wat menschen tegen, te voet en te paard, maar in het geheel geen huizen, tot bij Slivno, waar op groote onderlinge afstanden molens zich vertoonen, daarna ook fabrieken en grootere gebouwen. Het landschap krijgt werkelijk een grootsch karakter; de droge bedding der rivier wordt breeder, heeft kale rotswanden en vertoont een echt berglandaanzien. Onze karavaan ziet er in dat breede dal vol steenen tusschen de kleine witte wateradertjes en de hooge hellingen, waar geen of weinig plantengroei is, min of meer algerijnsch uit. Slivno, waarvan de naam beteekent “samenvloeiing”, omdat het aan het punt van samenkomst van drie dalen ligt, is een industriestadje van 24000 zielen, het vijfde van Bulgarije.

Er zijn veel lakenfabrieken, een tiental wel in het dal, waardoor wij rijden, en overal zagen wij vrouwen bezig met het uitspreiden, drogen, omkeeren of oprapen van hoopen witte of bruine wol, die op de steenen in de rivier hadden gelegen. Daar is dan eindelijk het stadje, een indruk van rood tegen een achtergrond van donkere heuvels, en dichterbij gekomen, zien we leelijke, onsmakelijke voorstadjes met lage huizen, een onthoofde minaret, een paar openbare gebouwen in tuinen en, onder veel lage woningen, enkele van wat beter voorkomen. Twee zijden van Slivno zijn wel aardig, de bovenstad met de Zigeunerwijk en de blauwe rotsen, en dan de benedenstad aan het stroompje, dat zich in de Toendsja stort. Ik ga eerst omhoog, zooals een conscientieus reiziger altijd moet doen, om een overzicht van het geheel van een stad te krijgen. Aan den noordkant leunt de stad tegen rotsachtige kalkgebergten met een voor Bulgarije ongewoon voorkomen, dat aan Dolomietgebergten doet denken. Ze worden prachtig door de ondergaande zon verlicht, en in de diepten liggen zware donkere schaduwen van blauwe tint, die den naam van Blauwe Bergen verklaren. Aan het andere einde van de stad, meer naar beneden, ziet men in de verte een groote rivier over een breede steenachtige bedding zich spoeden naar een reeks van donkere heuvels aan den overkant van een reuzenvlakte, alsof ze daar de zee vermoedde. Terwijl ik dit mooie schouwspel voor oogen had onder een dreigenden onweêrshemel met heldergele strepen tusschen de zwarte wolken, werden mijn oogen getrokken naar een druk bewegende menigte in een weide op de berghelling boven de stad. Daar begaf ik mij onmiddellijk heen, om het tooneel van dichtbij te zien. Het was daar een leelijke, armoedige wijk, die de stad ontsierde, en zelfs voor een vreemdeling kan men het geen schilderachtige plaats noemen, maar ze is wel amusant door de verschillende typen en kleederdrachten. Daar houden zich de Zigeuners op, met zwarte haren en een tint, zoo donker, dat de menschen wel negers lijken, vooral ook door de ver vooruitspringende onderlip en den platten neus. De mannen droegen turksche kleeding, en de vrouwen hadden buitensporig groote bouquetten in het haar van kunstbloemen of natuurlijke bloemen, met veêren en andere sieraden, zooals ik al noemde bij de vrouwen van Bela. De dichte menigte menschen was druk in de weer, schreeuwde, gesticuleerde en scheen de brandende zon in het geheel niet te voelen, want telkens gingen er paren dansen, in een ronden kring, of in lange rijen. Langs de weide aan den kant stonden lage hutjes van leem, geel en vuil en vensterloos, terwijl de stad op den achtergrond te zien was met pannen daken op de in het groen verscholen huizen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *