In het balkanbergland van Bulgarije 1906

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Voor ons rezen de bergen nog vele honderden meters hoog boven onze hoofden; maar spoedig bemerkten we, dat de beekjes nu in tegenovergestelde richting vloeiden en zich in zuidelijke richting bewogen. Het stroompje, dat wij gingen volgen, liep nu eens rechts dan links door een meer of minder ingesloten dal en ging met ons mee tot Seltsi en Maglisch, om dan zich in de Toendsja te storten, die zelve een zijtak is van de Maritsa en dus naar de Aegeïsche zee vloeit. Kort voor wij te Seltsi waren, houdt het bosch op, en het land verandert geheel van aanzien, doordat het kalktriasgesteente aan de oppervlakte komt en steile rotsen vormt. Aan den voet der steilten, waarlangs het pad zich in tallooze kronkels beweegt, lag het dorp Seltsi aan het riviertje met weer de zelfde lage en wijd uiteenstaande huisjes, gedekt met steenen of stroo, met groote dorschvloeren, waar haver wordt stuk geslagen, met boomgaarden om de woningen en fel gekleurde oppers, terwijl hier de donkere achtergrond der bergen alles nog veel mooier deed uitkomen. Als in alle Balkandorpen waren de onderwerpen voor schetsen in den grootsten overvloed voorhanden. Daar was de rivier met haar houten brug, de wilgen aan den oever, de koeien, die wat voedsel zoeken in de steenachtige bedding, de dorschers met de op- en neergaande vlegels, het licht op het witte linnen en het spel der schaduwen, door de donkere terrasjes gespeeld op den witten grond, zonder dat ergens de leelijke rechte lijn zich voordoet, waartoe wij in de beschaafde wereld veroordeeld zijn. Voorbij Seltsi naar den kant van Maglisch moet er afscheid worden genomen van het bosch; de natuur der rotsen is veranderd, en in plaats van zandsteen, geschikt voor den groei van lage planten en boomen, is gneiss gekomen, dat overal verbrokkeld is en los, verscheurd tot diepe kloven of tot zandige vlakten verpoeierd.

Het karakter van het land is nu echt dat van de zuidhelling geworden, dat, waarschijnlijk onder den invloed van de Turken, die vroeger hun gezag veel krachtiger op de zuidhelling lieten gelden, bijna al haar bosschen heeft verloren. Wanneer men gewoon is geraakt aan het rijden tusschen de heerlijkste beukenwouden, bedroeft men zich nog meer dan anders over zulk kaal land, waartegen gelukkig de regeering maatregelen begint te nemen, door het aanleggen van bosschen, nu nog arme kleine boompjes, niet bestand tegen het knagen van de grazende geiten, en dus maar langzaam groeiend. Tusschen Seltsi en Maglisch zou het stroompje, dat al te nauw door de rotsen wordt ingesloten, geen bruikbaren weg meer voor ons opleveren, dus begonnen wij tegen de begroeide hellingen op te klauteren, waar het vol lag met losse steenen, om iets verder weer in de bedding af te dalen. Daarbij wonnen wij vooreerst een prachtig gezicht op de kloven, als met zaagtanden in de rotsen geslagen, en waar aan den eenen kant alle afloopende terrassen in donkere schaduw liggen, terwijl zich de overkant in een zee van licht baadt. Daarna vertoont zich bij het overtrekken van een bergpas plotseling voor onze oogen een driehoek van schitterend licht, een vlakte, waar door het azuurblauw een zilveren lint zich slingert, en waar men op den achtergrond zich een rij donkere bergen ziet verheffen. Dit is de eerste verschijning op onzen weg van het dal der rozen, een weinig vermooid door den afstand. Het is het dal der Toendsja, door mijn bulgaarsche vrienden, zooals ik maar dadelijk zal zeggen, ofschoon ik hun enthousiasme niet deel, voorgesteld als een hemelsch land van Kanaän. Om er te komen, moeten wij nog naar beneden. Wij beginnen daartoe, met de droge bedding van het riviertje een oogenblik te volgen onder het dicht gebladerte, als door een mooie laan van fijn zand, die geheel in de schaduw ligt, en waar overal fijn jong beukengroen uit opschiet, net als ook aan de oevers terzijde, terwijl boven ons hoofd de takken der forsche boomen aan weerszijden elkander ontmoetten bij den top der heerlijke boschgewelven. Daarginds is een terras van stoppelland, zacht-gele overgang tusschen den Balkan en de vlakte, en even later brengt een laatste daling door velden van rozen, die in dit seizoen haar bloementooi hebben verloren, ons naar het Maglischdal. Dit dal, dat in heel Bulgarije bekend is om zijn rozencultuur, heeft groote aantrekkelijkheid in den bloeitijd der rozen, want de cultuur is er zeer intensief; maar die heerlijke tijd duurt slechts veertien dagen in het jaar, wanneer de rozen bloeien.

Daar ik er de eerste maal in September was, en de rozenstruiken er toen als magere heesters uitzagen, ben ik er nog eens weer heengegaan in Mei, enkele dagen te vroeg, om de knoppen ontloken te zien, zoodat ik maar van hooren zeggen mee kan praten over den luisterrijken bloei. Deze omvat echter slechts de smalle zone tusschen de bosschen op de zuidhelling en de vlakte. De rest van het dal is een groote wijde ruimte van bouwland, nu in den herfst kaal, nu de oogst is binnengehaald, maar in de lente groen en getuigend van welvaart en vruchtbaarheid. Aan den eenen kant verrijzen de kale bergen betrekkelijk steil omhoog, alsof het Apennijnen waren, zooals die zich voordoen ten zuiden van Rome in de Lepini-bergen, aan den anderen kant geeft een lijn van lage, afgeronde heuvels den Sredna Gora aan.

II. Maglisch-Haïn Boise en de herinneringen aan den veldtocht van 1878.–Haïnkioe en het huis van den pope.–De bulgaarsche honden.–Tvarditsa.–Het groote wild.–De komst der Turken te Klena.–De Tsjoemernatop.–Werking van den nevel.–De Karakatsjani’s.–De overtocht over de doorwaadbare plaats.–Het turksche dorp Sara Yar.–De boeren van Klena en het vrouwentype aldaar.–Ondergaande zon te Slivno.–De plaats der warme bronnen.–Nova Zagora.–Het mooie bloeiende land aan de Toendsja.–De kloven van Kasan en Kotel.–De vauclusische bronnen te Kotel.

Het stadje Maglisch, een der hoofdcentra van de rozenindustrie, ziet er zoo modern uit, dat men niet laten kan, heimwee te hebben naar de in het groen verborgen Balkandorpen. Toch leveren een riviertje, aan welker oever eenige houten huisjes zijn gelegen, een minaret tusschen de boomen, het gebergte, dat op den achtergrond verrijst met zijn kale toppen, en de wijde vlakte ervoor stof genoeg voor liefelijke kijkjes. Gewoonlijk zijn de huizen ook hier naar landsgebruik laag met vooruitspringend dak en een terrasje of balkon, waar allerlei huishoudelijk goed wordt opgehangen, terwijl op het vrij platte dak afgeronde dakpannen liggen. Aan de balken hangen, behalve de gewone zaken, hier ook tabaksbladen, die niet te zien waren op de noordhelling van den Balkan. Nadat wij een nacht te Maglisch hadden doorgebracht, zetten wij onzen weg, altijd op de zuidhelling, naar Haïnkioe voort. De aanblik blijft zoowat dezelfde, die van een groot vruchtbaar terrein, met een overvloed van korenvelden, groote uitgestrektheden, met maïs bebouwd, met wijngaarden, boomgaarden, tabaks- en rozenvelden. Die laatste kwamen vooral voor op de berghellingen, die wij op korten afstand passeerden. De hellingen zagen er kaal uit; de vlakte met veel stroohutten, lag doodsch en somber onder een grijzen hemel, die als een oven van hitte dampte. De eenige opvallende verschijnselen in het landschap bij Haïnkioe waren, behalve de zwarte vlekken der kudden, die cirkelvormige heuvels of tumuli, die men op zooveel plaatsen in Bulgarije ziet. Alleen de rand der vlakte aan den voet van den Balkan, vooral als men dorpen als Lachanli nadert, heeft een bloeiender karakter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *