In het balkanbergland van Bulgarije 1906

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Denk u nu boomgaarden op den heuvel, waar de huizen tegenaan zijn gebouwd, let op de heldere kleuren der tomaten op de velden en der ritsen uien, die aan de balken der afdakjes hangen, en gij zult begrijpen, dat een bulgaarsch dorp, waar de vrouwen ten overvloede bonte hoofddoekjes en boezelaars dragen, veel kleurige tooneelen oplevert. Als bij die genoegelijke tochten door de eindelooze bosschen het uur voor den maaltijd was gekomen, hielden wij stil aan den oever eener beek, maakten een vuur aan van takken en braadden een stukje vleesch of een mager kipje, waaraan de buitenlucht en de vermoeidheid den fijnsten geur verleenden. Dan gaat het weer verder op den ontdekkingstocht door de groote bosschen, waar wij aan den rand de zon gloeiend zien ondergaan en een langen blik kunnen slaan op de zacht golvende vlakten, die zich tot heel in de verte, tot over de Donau uitstrekken. Enkele dorpen en schilderachtige hoekjes hebben op die tochten, voortgezet tot op een afstand van vijftien kilometer van Radevtsi, een eigenaardige herinnering bij mij achtergelaten. Zoo bijvoorbeeld dat kleine gehucht Boroesjtitsa, dat binnen korten tijd de eer zal genieten, eindpunt te worden van een spoorweg, waaraan de naam van Transbalkanspoorweg zal toekomen. Het eerste beeld, dat er mij van is bijgebleven, is dat van het overdekte terras, waar wij des middags zaten in een soort van herberg en waar wij het uitzicht hadden op een prachtig ravijn vol zware boomen. Achter ons waren twee deuren in den witten muur, toegang gevend tot twee donkere ruimten. Daar zaten bulgaarsche boeren op lage taboeretjes te eten en te praten. Op hun hoofd droegen zij de bruine wollen muts in den vorm van een korten cylinder, waaraan men dadelijk den Bulgaar herkent, ook hun buis is bruin, en laat, als het openvalt, het witte hemd zien, de roode ceintuur en de bruine met zwart gesoutacheerde broek.

Wij zaten evenals zij om een zeer laag tafeltje, etend uit de met den naam der herberg gemerkte schotels, die de herbergierster gewoonlijk als bruidsgeschenk van haar ouders ontvangt, en deden ons te goed aan het gewone gebraad van rundvleesch, de pasterma. In de andere kamer, waarin alleen door een zeer klein venster wat licht viel, lagen twee kleine kinderen te slapen en tusschen hen en ons liep de vrouw heen en weer, gekleed in het costuum der streek. Ze droeg het haar in twee lange loshangende vlechten, met een doekje eroverheen geslagen; een donker kleedje met korte mouwen was aan het corsage een weinig uitgesneden en liet het witte hemd zien, terwijl de gekleurde boezelaar en de roode ceintuur beide met een paar groote metalen haken waren vastgehecht. Op het soort van terrasje hingen overal aan den muur en aan balken zakken van geitevel, ritsen uien, groenten, linnengoed en andere nuttige zaken. Kippen vlogen heen en weer en verdwenen tusschen het donkere latwerk. Het linnen, wat grof van draad, met donkere rechtlijnige figuren, had de eigenaardige originaliteit van al die stoffen, die ontsnapt zijn aan de regelmaat van de machine, een bijzonder karakter, dat men in zooveel oostersche huizen terugvindt, waar de stoffen door de dochters van den huize zijn gesponnen en geweven en tot kleedingstukken vermaakt voor haar uitzet, om dan te worden gebleekt en gedroogd op de naburige weide naast de ellenlange nog onversneden stukken linnen.

Het andere kleurige beeld, dat in mijn herinnering is bewaard gebleven van het dorp Boroesjtitsa, is het dorschen van het koren. Het was toen in het midden van September, en de gansche gelende oogst werd onder de harde slagen veranderd in volle zakken tarwe en gerst. Dat dorschen is altijd een schilderachtig moment in het leven op een boerenhoeve, zelfs in onze noordelijke landen, waar leelijke machines ruw dit werk verrichten onder wolken van stof. Maar in dat gouden stof heerscht algemeene vroolijkheid, want het omhult het resultaat van veel arbeids en is nu gereed, om in goed en klinkend geld te worden omgezet, wat op alle gezichten een vroolijken trek te voorschijn roept. In landen echter, waar wat meer beschaving nog niet is doorgedrongen, is dat barbaarsch vernielingswerk van het graan een nog veel aantrekkelijker schouwspel. In Bulgarije gebruikt men den dorschvlegel, als men het stroo wil bewaren voor dakbedekking, maar meestal, wanneer men niet bang is, de halmen te breken, laat men er een houten slede over gaan, waaronder rijen van scherpe kiezelsteenen zijn bevestigd, echte steenen messen uit den steentijd. Wij zagen dat werk op alle hoeven aan den gang op den dag van ons verblijf te Boroesjtitsa in het licht van de mooiste herfstzon en in den glans van de heldere kleuren der kleederen van vrouwen en kinderen.

Tusschen de loodsen en schuren lag de buitendeel van hard gestampte aarde, omgeven door leemen wanden, waar de schaduw van allerlei vruchtboomen op viel. De bruine palen van het terrasje, waar wij hadden gezeten, waren eveneens in schaduw afgeteekend op den blinkend gladden grond en rechts zag men allerlei ouderwetsch houten gereedschap van zonderlinge vormen. Daar was het weefgetouw der vrouwen, de slede, waarmee het gezin in den winter zich bewoog over de besneeuwde berghellingen. Op de heldere vlakte lagen de blinkende halmen uitgespreid, en vlug bewoog er zich het gevaarte overheen, dat met twee ossen was bespannen en door een vrouw met ernstig uiterlijk werd bestuurd. Zij voedde onderwijl haar baby, terwijl op den wagen een meisje zat, om er grootere zwaarte aan te geven. Zij geleek op de godin, die een romeinsche zegekar mende.

Soms waren alle jeugdige leden der familie op het voertuig vereenigd en hadden de allergrootste pret. De vrouw en het meisje, met haar zilveren armbanden, haar muntenkettingen om den hals, haar gestreepte rokjes, witte mouwen en vaak met een groote bloem in het haar, maken met het gekleurde doekje op de hangende vlechten een bepaald schitterenden indruk. En altijd wisselen de schaduwen van den stoet over het glanzig gouden graantapijt. Als dan de ossen overal zijn geweest, zamelen vrouwen, kinderen, mannen zelfs, de korrels in en harken het koren te zamen. Naast den dorschvloer hebben de hooge graanoppers, door de toevallige zonnestralen beschenen, de tinten van meer of minder oud stroo, de mooiste gamma van nuancen, die op de verlichte gedeelten van saffraan tot chroom overgaat, en dan van oker en gebrand sienna tot oranje, terwijl in de schaduw blauw, lila en bruin zijn te herkennen. Toen wij eindelijk Radevtsi verlieten, om naar de streek ten zuiden van Boroesjtitsa te gaan, en door den Balkan onzen tocht naar Seltsi en Maglisch voort zetten in het dal der Toendsja, ging het weer door het bosch van lichtende beuken over de prachtige, slingerende voetpaden, die zachtjes stegen, tot wij ongemerkt op de zuidhelling van den Balkan waren gekomen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *