In het balkanbergland van Bulgarije 1906

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Men kan te Radevtsi twee dingen duidelijk onderscheiden, een bekoorlijk bulgaarsch dorpje, waar het wemelt van heerlijke schildersmotieven, en twee kilometer verder een steenkolenmijn, waarvan men maar enkele gebouwen ziet en een eindje spoorweg, terwijl al wat er verder bij behoort hoogerop in den berg verscholen ligt achter een zwaar beukenbosch. In het gebouw van de mijndirectie, dat vroeger een veel te prachtig paleis was en nu ongebruikt is en verlaten zonder glasruiten in de vensters, zoodat van alle kanten wind en regen er kunnen binnendringen, installeeren wij ons, om er gedurende enkele dagen ons hoofdkwartier te vestigen. De volgende dagen begonnen de tochten rondom Radevtsi naar de verschillende ontginningen der steenkool, die overal zwarte vlekken vormen in het landschap, aan den rand der bosschen, der voetpaden en in de diepe kloven. De bevolking is volkomen goed op de hoogte van haar rijkdom, die met behoorlijke zorg geëxploiteerd wordt in tallooze galerijen en waarvoor geregeld concessies worden uitgegeven. De voornaamste van die steenkoollagen, die van de concessie van prins Boris, zijn al in 1871, nog ten tijde van de Turken, ontgonnen onder leiding van een oostenrijkschen ingenieur, den heer Schroeckenstein. Later kwam een Franschman, die in het land was gekomen om er een spoorweg aan te leggen, op het denkbeeld er ontginningen te doen en vormde een fransche maatschappij, die na allerlei wisselende ervaringen de mijnen nog in eigendom heeft. Maar de werken dier maatschappij werden uitgevoerd met te veel pracht en weelde en noodelooze installaties, en het gemis aan practischen zin, zoo dikwijls kenmerkend voor industrieën, die van uit de verte bestuurd worden door een parijschen raad van administratie, met een onbekwamen plaatselijken chef, deed zich ook hier gevoelen. De onvoldoende afzet, dien men wel dadelijk vooruit had kunnen zien, is aanleiding geweest, dat men reeds lang het werk heeft gestaakt, en alleen als de ontworpen spoorweg Tirnovo-Boroesjtitsa gereed zal zijn, zal het kunnen worden hervat.

Buiten die exploitatie, die een echt industriëel karakter heeft gedragen, wordt er in het klein steenkool gewonnen, nu eens aan de oppervlakte, dan in galerijen in den berg. De kool van de oppervlakte wordt zeer gemakkelijk gewonnen, maar het vervoer per muilezelrug langs de bergwegen tot aan de kleine industriestadjes in den Balkan verhoogt zeer den prijs. Een bezoek aan een steenkolenbekken levert gewoonlijk niets schilderachtigs op, en er zijn weinig landen ter wereld leelijker dan die van de belgische mijnen en die van Noord-Frankrijk en Silezië. Ofschoon het mijnwerkersleven de stof kan leveren voor forsch schilderwerk en mooie onderwerpen kan bieden aan de hand van den beeldhouwer, wanneer een geniaal kunstenaar als Constantin Meunier ze met antieken ernst behandelt, het leven zelf is vuil en treurig en bedroevend, en in het algemeen behoeft men geen mijnwerker te worden, om landschappelijk schoon te kunnen bewonderen. De tegenstelling is veelal groot met een andere soort van mijnen, waar metaal uit den bodem wordt gehaald aan de oppervlakte van de bergen, dikwijls te midden van bosschen, waar in diepe uithollingen als grotten de arbeiders vrij ademhalen en op hun gemak werken, om des avonds in het licht van den ruimen horizon huiswaarts te gaan tot hun tweede leven, dat van kleine landbouwers en hun bescheiden woning, die zij alleen met hun gezin bewonen. Maar de steenkolenmijnen in den Balkan hebben alle bekoorlijkheid, die anders eigen is aan metaalmijnen, en onze dagelijksche ritten te paard om ze achtereenvolgens te bezoeken, waren een prettige uitspanning. Elken morgen trokken wij zoo door de prachtige beukenbosschen, langs lichtende voetpaden, langs groene kloven, waarin het water ruischte, naar de verschillende mijnen en naar de hoogten, van waar men het dal overziet. Dan daalden wij daar dikwijls in af en bestegen, over de rivier gaande, den tegenoverliggenden kant. Overal vond men in die bosschen, die men zich als onbegaanbaar en woest zou voorstellen, de heerlijkste wegen, waar men zich in een park zou wanen, en als het ons lustte, ze voor eenige oogenblikken te verlaten, konden we nog altijd te paard door het bosch rijden, zonder voor een van die onaangename verrassingen bang te moeten zijn, die u op eens brengen bij een diepen afgrond, zooals er spoedig een den stoutmoedige zou tegenhouden, in wiens brein het zou opkomen, een dergelijke poging in de Pyreneeën te wagen.

Ik durf niet hopen, dat het mij gelukken zal, door woord of beeld een denkbeeld te geven van de bekoorlijkheid van dit land. Wie heeft wel niet eens gezien, en wie kan zich niet voorstellen een bosch van mooie beuken op een zachte berghelling, met frissche stroompjes in de dalen en kloven? Maar de schoonheid aan de Balkanbergen eigen op hun noordelijke helling en op hun toppen, is de verrassende uitgebreidheid van dit woud, waar men geheele dagen lang op goed geluk door heen kan rijden, in het door ‘t gebladerte gefiltreerde licht van een warme oostersche zon, die aan de schaduwen nog haar glans verleent en u toch niet hindert met haar gloed. Aan den voet der bergen, zooals te Radevtsi, heeft men overal kleine dalen vol planten, die toch niet somber zijn, met heldere beekjes, voortstroomend onder de boomen, te midden van weiden, over beddingen van witte steenen, kabbelende beekjes, molens met watervalletjes en allerliefste dorpen. Hooger, op de eerste terrassen, volgen boomgaarden met appel- en pruimenboomen, de korenvelden op de afgeronde heuvelhellingen, en dan beginnen spoedig de beuken- en eikenwouden, die alle hoogere deelen van het bergland bedekken.

Het zijn dichte bosschen met hier en daar enkele reuzenboomen, een park, waar ons de weg gewezen wordt door een boer met bruine jas en broek en bruine muts, die voor de leus een bijl over den schouder draagt, alsof wij hier op deze gemakkelijke bergen ooit ons een weg zouden hebben te banen. Het dorp Radevtsi, waar wij bij onze tochten steeds op terugkomen, is een der mooist gelegene en schilderachtigste onder de vele, die in de dalen en op de hellingen van den Noord-Balkan liggen. De leemen huizen zijn met een witte kalklaag bestreken, en onder het overhangend dak, dat op palen rust, is een soort van veranda of terras, op die palen gedragen. Rondom het huis staan de hooioppers en graanhoopen, die gele vlekken vormen in het landschap. Hier en daar zijn ze reeds aan de herfstbezigheid, om het met behulp van paarden en ossen te dorschen. Bij de boerenhuizen staan verder de bakkersoven, de groote kuip voor het koken der pruimen, en de hoopen dorre bladeren en takken, die ‘s winters tot ligstroo moeten dienen voor het vee.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *